Onderzoeksmethode: Verkiezing

Een verkiezing ofwel een wedstrijd, is een vermomde manier om vragenlijsten af te nemen. Je geeft je respondenten niet het gevoel dat ze aan een onderzoek mee doen, maar aan een verkiezing. De respons is hierdoor hoger dan bij een vragenlijst. Je kunt hierbij niet alle vragen stellen, maar vragen die je in een verkiezing/wedstrijdsetting kunt stellen. Denk hierbij aan wat en waarom je dat het beste onderdeel vindt en hoe het beter kan. Je kunt ook maar een beperkt aantal vragen stellen.

Wanneer kies je voor deze manier van onderzoeken?

Een verkiezing is een kwantitatieve onderzoeksmethode. Je gebruikt de verkiezing als je wilt weten wat mensen interessant vinden en niet interessant vinden. Maar ook als je verbeterpunten wilt weten.   

Voordelen

  • Je kunt gemakkelijk een grote groep mensen bevragen. Ze vinden het leuk om mee te doen met een verkiezing.
  • De antwoorden kunnen niet beïnvloed worden door een interviewer of observator, waardoor de objectiviteit gewaarborgd wordt.
  • Eenduidige antwoorden door gestandaardiseerde vragen
  • Diepgaande statistische analyses
  • Je moet ook een uitreiking maken van de winnaar. Hier kun je ook een persmoment of event met publiek van maken, wat zorgt voor extra publiciteit. 

Nadelen

  • Beperkt aantal en soort vragen
  • Respondent kan zijn/haar verhaal niet kwijt
  • Je moet ook een uitreiking maken van de winnaar. Hierbij komt meer werk kijken.

Waar moet je rekening mee houden?

Je moet ervoor zorgen dat je respons representatief is. De steekproef moet dus groter zijn, omdat niet iedereen die vraagt de vragenlijst in zal vullen. Als mensen betrokken zijn bij een onderwerp is de respons vaak 1 op 3.

De respons en dus je steekproef moeten representatief zijn voor de gehele onderzoeksgroep (bijvoorbeeld alle bezoekers van een museum). Dit kun je doen door te controleren op een paar kenmerken (leeftijd, opleidingsniveau) of door gestructureerd mensen te vragen mee te werken (elke 5de bezoeker). De juiste grootte van je respons bereken je met een online steekproefcalculator, bijvoorbeeld https://nl.checkmarket.com/steekproefcalculator/. Aan de hand van de benodigde respons bepaal je hoeveel mensen je gaat vragen mee te werken.

Tips

  1. De belangrijkste vraag is dat mensen het beste van iets kunnen kiezen. Bijvoorbeeld het interessantste onderdeel van de tentoonstelling, het mooiste schilderij of de beste activiteit. Dat kun je vervolgens laten onderbouwen in de vragen eronder.
  2. Houdt de vragen simpel. Gebruik niet te moeilijk taalgebruik en houdt rekening met het publiek in je woordkeus. ‘Wat doet u het liefst in uw vrije tijd?’ is bijvoorbeeld beter dan ‘Hoe recreëert u het liefst?’.
  3. Zorg voor een eenduidige interpretatie. ‘Ik ben tevreden over de kwaliteit van de tentoonstelling’ is hierbij een voorbeeld van hoe het niet moet. Wat is kwaliteit? Het soort kunstwerken, interactieve elementen, drukte, de zaal, het licht?
  4. Formuleer de vraag zo concreet mogelijk. Verwijs naar plaats en tijd, benoem aantallen. Probeer vragen als ‘Heeft u de afgelopen tijd..’ af te bakenen naar een bepaalde periode, bijvoorbeeld ‘Heeft u het afgelopen half jaar..’. 
  5. Vermijd vage worden. Probeer termen als vaak en soms te vermijden, ook in de antwoord categorieën. Iedereen interpreteert vaak en soms verschillend, het is daarom beter om te vragen naar een specifiek aantal keren.
  6. Vermijd dubbele vragen. Geen ‘en’ of ‘of’ in de vragen. Een vraag als ‘Wat vond u van de voorstelling en van de acteurs?’ kan niet met één antwoord worden voldaan als het publiek de voorstelling wat minder vond, maar de acteurs heel goed.
  7. Formuleer geen (dubbele) ontkenningen in de vraag. Een ontkenning in de vraag is namelijk verwarrend. ‘Ik ben niet ontevreden met wat ik gezien heb’ of ‘Een museum bezoeken, dat doe ik niet graag’ zijn hier voorbeelden van.
  8. Stel korte vragen.
  9. Zorg dat de vraag het juiste meet: De vraag moet antwoord geven op de onderzoeksvraag. Als je wilt weten of iemand geïnspireerd is geraakt door een tentoonstelling vraag je niet hoe lang hij/zij is gebleven. Mogelijk is de verblijfsduur korter omdat de respondent eerder weg moest.
  10. De antwoordcategorieën bij de vragen moeten elkaar uitsluiten. Het moet voor de respondenten duidelijk zijn welke antwoord zij moeten aankruisen/geven.
  11. Zorg voor dezelfde richting in de antwoordvolgorde bij schaalvragen. Wanneer het ene moment gevraagd wordt om iets te beoordelen op een schaal van helemaal oneens tot helemaal eens (steeds positiever) en een aantal vragen verder op een schaal van zeer tevreden tot zeer ontevreden (steeds negatiever), dan bestaat de kans dat men dit verkeerd invult.
  12.  Probeer bij schaalvragen de schaalgrootte voor iedere vraag hetzelfde te houden. Dus niet bij de ene vraag een schaal van 1 tot 5 en bij de andere vraag een schaal van 1 tot 7. Dit is ook in de analyse makkelijker.
  13. Kijk wel schaalgrootte het beste past. Een rapportcijfers van 1 tot 10 biedt veel variatie, maar is dus ook moeilijker te interpreteren (voor sommigen is een 10 goed, anderen vinden een 10 perfect en geven die daarom niet snel). Een 2 (goed/slecht) of 3 puntsschaal (goed, gemiddeld, slecht) biedt erg weinig variatie en maakt het moeilijker om een vraag te beantwoorden als het gaat om een mening (is meestal genuanceerd). Een even schaal zorgt ervoor dat een respondent moet kiezen, met een oneven schaal biedt je de mogelijkheid om veilig in het midden te gaan zitten.
  14. Biedt ook de mogelijkheid beredeneerd niet te antwoorden, bijvoorbeeld door een antwoordmogelijkheid te maken met niet van toepassing of weet ik niet/geen mening.